ACTIE. ACTIE. ACTIE!

De zaal was stampvol. Vakbondsmannen en vrouwen hadden zich verzameld om over de pensioenen te praten. Als begeleider wist ik, dat worden stevige uurtjes. De materie was zeer complex, terwijl de deelnemers hevig worstelden met het fenomeen ‘generatieconflict’. De leeftijd was hoog, het waren oude strijders, die vaak al op jonge leeftijd door hun ouders bij de vakbond waren gebracht. De vakbond was hun leven!

De bestuurder opende de meeting, en deed verslag van een ontmoeting met de minister. Hij opende zo. ‘We zijn in gesprek met de regering’. Meteen werd hij onderbroken. De zaal barstte los. NIET PRATEN. NIET PRATEN. NIET PRATEN. En .. ACTIE. ACTIE. ACTIE.

Bijzonder om mee te maken. Actie boven praten. Later werd het overigens een ‘goed gesprek’.

Actie is ook een ambtelijk buzzword. Om schwung in programma’s te brengen helpt het om actieplannen te maken. Mijn ervaring is, druk op het knopje van het actieplan, en betrokkenen, van ervaringsdeskundigen, ambtelijke professionals en consultants bedenken in mum van tijd van alles. Het is opwindend, het is genieten van betrokkenheid en creativiteit. Het is mooi.

En toch. Mist er soms iets. Wordt ook het onvermijdelijke tekort van het actieplan zichtbaar (als je niet oppast).

Eureka!

Middenin in zo’n traject kom je opeens in gesprek met iemand. Geen vergadering, maar een ‘echt gesprek’. En dan ontvouwt zich iets prachtigs. Alle acties en ideeën krijgen opeens context, extra betekenis door een geweldige visie. Een steengoed verhaal! Een perspectief waardoor alles van een nieuwe glans wordt voorzien. Waardoor alle acties opeens keurig ‘op een rij worden gezet’, voorzien van een onbetwistbare logica. Eureka! Zo’n verhaal ook waarvan je direct weet en voelt dat de spreker er echt jaren over gedaan heeft om te ontwikkelen. Zo’n verhaal waarvan het licht aangaat! Het ‘tien zinnen na tien jaar-principe’.

Actieplannen, top. Maar wat is het een weelde. Een steengoed beleidsverhaal. Niets is zo praktisch als een goed verhaal?!

John Bolton, het boek

Vandaag doorgebracht met lezen van boek John Bolton, de man van buitenlandse zaken. Met dank aan Twitter. Een hele kluif. Volstrekt het tegenovergestelde van een sensatieboek. Wel een bestuurskundig gezien meer dan interessant boek, beetje in de traditie van alle boeken van Bob Woodward.

Bolton behandelt al zijn dossiers bijzonder nauwgezet, van Afghanistan tot Iran en China. Inhoudelijk behoort hij tot de rechtervleugel, heeft niets met internationale instituties, en is gefixeerd op de macht van de V.S. vergroten.

Samen met Pompeo speelt hij een zware rol in het Trump beleid. Dat hij midden in de regeringsjaren van Trump zo’n memoire-achtig boek schrijft komt op mij over als een ernstige vorm van ‘matennaaierij’. Hij geeft overigens relatief weinig oordelen, spreekt met feiten.

Lollig wordt hij – onbedoeld waarschijnlijk – vooral als de schoonzoon van Trump, Kushner, beschrijft. Die wordt steeds bij alle moeilijke dossiers gehaald, om vervolgens door de hele wereld te worden uitgelachen en weggeblazen. Internationale politiek is geen speeltuin.

Trump komt niet per se over als lui. Hij is vooral anders. Komt pas om 12 uur op kantoor, omdat hij in de ochtend met jan en alleman zit te bellen. Die invloed van de buitenwacht is voor iedereen uiterst ondoorzichtig.

Trump komt ook over als iemand die zijn kunnen ernstig overschat. De president van Rusland en China is altijd zwaar geprepareerd en ook Europese leiders komen er goed van af. Trump denkt op de persoon te kunnen spelen, een gezellig sfeertje te kunnen creëren en dan een deal te maken. Dat lukt totaal niet. Daar is het kaliber tegenover hem te groot voor.

Wat voortdurend de leidraad voor Trump is, is niet zwak overkomen in de beeldvorming. Daar moet alles voor wijken. Ook boeiend is dat internationale politiek wordt teruggebracht tot cijfers, ‘verdien je meer dan je uitgeeft’. Dat dit tot ongelukken leidt is uit te tellen.

Bolton moet niet veel hebben van generaals en oud-generaals, die niet zo behendig zijn in politieke strategie en samenwerking. Ook oud-toppers uit het bedrijfsleven hebben het moeilijk omdat ze te naïef zijn, en veronderstellen dat de eigen organisatie wel steunt.

Hij is zeer beducht op tegenwerking vanuit ambtelijke diensten en meent die met een ‘culturele revolutie’ te kunnen bedwingen. De ambtenaren noemt hij the building.

Regelmatig komen medewerkers uit het Witte Huis voorbij die moegestreden de strijd staken. Een van hen zegt ergens, twee jaar terug. ‘Wat gaat er gebeuren als het land nu eens in een echte crisis terecht komt?’.

Besturen is een vak. Politiek is een vak. Trump heeft een afwijkende stijl, dat kan soms verfrissend zijn. Maar hij is geen vakman. ‘Wrong man in the wrong place’.

De rol van de tweets komt natuurlijk ook langs. Als met veel moeite op een dossier iets is bereikt, is het nogal eens een tweet die alles weer in de war schopt. De ijdelheid en scoringsdrift zit strategie dan in de weg.

Bolton is een jurist, een amorele en berekende man, wel een vakman en keihard. Die in de afgelopen een grote stempel op het beleid heeft gedrukt, weg uit de Irak deal, de mensenrechten commissie, de rol van de V.S en de NATO en het klimaatakkoord. De klassieke republikeinen zijn vanuit een progressief perspectief bijna moeilijker te bestrijden dan Trump. Als Trump volwassener was geweest was de schade voor de wereld (mijn perceptie) beslist niet veel minder geweest. Misschien zelfs, integendeel.

Het verhaal van armoede en schaarste

Drie jaar terug. We voerden met bewoners een intensief gesprek, over ‘de agenda van de toekomst’. Van alles kwam voorbij, sociale cohesie, gezellige winkelstraten, vergroening van de gemeente, het schrale aanbod voor kunst en cultuur, vereenzaming. Een mevrouw achteraan zei niet zo veel. Net op tijd zag ik haar nog zitten. ‘Wat hebben we gemist?’. Ze zweeg even en zei .. armoede…. Wat ik niet zou vergeten was ‘patat’. Het verhaal over kinderen die dagen achterelkaar alleen patat aten. Iedereen werd stil. Was dit het thema van de toekomst?

Community-reseach naar armoede

Armoede is een verhaal van alle tijden. Het verhaal ook van instituties die daar met man en macht tegen vechten. In Den Haag ben ik ‘weg’ van STEK, Stichting Kerk en Stad. Jaarlijks maken zij met hun vrijwillige pastoraal medewerkers een rapport over armoede in de stad. Een intelligente vorm van community-research, die door beleidsprofessionals gretig wordt gelezen en gebruikt.

Objectief of subjectief

Wie in het verhaal van armoede duikt, ziet de complexiteit. Het begint al met de definitie. Economen gebruiken soms een objectieve definitie. Met dat bedrag per maand ben je arm. Daar begint natuurlijk al het debat, met hetzelfde bedrag kun je op de ene plek meer dan op de andere plaats. Op kwalitatieve wijze wordt een oplossing gezocht. Van armoede is sprake wanneer je minder hebt dan nodig om te kunnen leven. Ook dat is arbitrair, maar geeft al meer richting.

Antropologen en sociologen wijze op het relatieve karakter van armoede. Armoede is ook een subjectief concept. Wie in een arme wijk woont omringd door rijke mensen ‘voelt’ zich simpelweg armer.

Toegang en armoede

Boeiend is ook de benadering om armoede niet terug te brengen tot geld alleen. Dan gaat het om toegang tot onderwijs, juridische rechten en sociale contacten. Dan gaat het om de kans om ‘uit de val van armoede te komen’. Wie tijdelijk krap zit, maar wel goed ingebed is in de samenleving, heeft meer kans om uit de armoede te komen. Armoedebestrijding gaat in deze zienswijze om veel meer dan lenen of schenken van geld. Bekend maar ook omstreden is het concept ‘de cultuur van armoede’. Armoede wordt zo een nog een breder verhaal waarin ook aspecten als verminderde kans op criminaliteit of de mindset een rol spelen (‘de wil om je er uit te vechten’).

Moderne armoedebestrijding richt zich steeds meer op de psychologie van wie arm is. Zo richten schuldhulpverleners zich meer en meer op coaching en het ‘meenemen’ van familie en vrienden, een systemische aanpak van armoede. Op dit moment ben ik zo actief betrokken bij een gemeente rond mobility mentoring, waarin dit aspect veel aandacht krijgt. Het goede van die aanpak is dat het accent wat verschuift en verbreed naar ook de hulpverlening, het professionele systeem. Is hun aanpak nog wel de juiste?

Ondernemerschap als panacee

Op mondiale schaal groeit het debat over de structurele kant van armoede. Dan gaat het niet zozeer om hulpverleners of loketprofessionals maar om instituties. Zo komen steeds meer twijfels op over het werken met micro-kredieten, is kleinschalig ondernemerschap voldoende om uit armoede te komen? Iets is beter dan niets, maar niet voor niets staat nu ook sociale en financiële ongelijkheid op de agenda en het functioneren van (financiële) instituties. Armoede en de aanpak daarvan wordt zo wel een heel groot verhaal, maar dat is ook nodig.

Schaarste

Verfrissend en blikverruimend vind ik prachtige studie over schaarste. ‘Scarcity, Why Having Too Little Means So Much’ van Sendhil Mullainathan en Eldar Shafir, uit 2013, waarin het accent ligt op armoede en schaarste. In dit boek speelt vooral de ervaring van armoede een rol. Ze veroordelen de middle-class blik op armoede waarin vooral het accent op criminaliteit ligt en minder op lijden. Ze tonen begrip voor impulsgedrag, zoals geld dat binnen is meteen weer besteden aan iets dat wellicht luxe is. Schaarste zorgt voor verlies van lange termijn oriëntatie en voorzichtig gedrag. Als je grote haast hebt, wil je weleens je autogordels vergeten. Schaarste is ook een tunnel. Boeiend is de aandacht voor de kracht van overlevingskunst. Wie te weinig heeft wordt ook creatief. Vergelijk het met de analoge camera van  vroeger, je moest beter dan nu nadenken voor je klikte, zoveel kansen zijn er niet.

Wordt vervolgd.

Ervaringskennis, ‘handle with care’

In 2002 schreef Frances Schoonmaker uit Baltimore een fantastisch, scherp boek over het geheim van de goede leraar. ‘Growing Up Teaching. From personal knowledge to professional practice’. Het gaat over leraarschap, maar voor de goede verstaander over veel meer. Over de constante ´struggle´ van professionals met de verschillende soorten kennis die hij of zij krijgt aangereikt. Waarbij ik nu vooral even kijk naar het geworstel met ervaringskennis.

De auteur stelt dat elke leraar (lees: elke professional) wordt overstelpt met een enorme hoeveelheid van ‘shoulds’. Wie een bepaald vak goed wil uitoefenen MOET .. en dan volgt er een hele rij. De vraag is vervolgens waar al deze ‘shoulds’ vandaan komen. Het antwoord daarop is in de kern simpel. Ze komen enerzijds uit de theorie en anderzijds uit de praktijk. Elke professional, ook de leraren, volgen een professionele scholing waarin zij een hoop vak wijsheid te verstouwen krijgen. In de optimale situatie bestaat een goede balans tussen theorie en praktijk.

De afkeer van theorie

Maar dan begint het gedonder. In culturele zin bestaat een lichte tot zware afkeer van ‘boekenwijsheid’. De beste leraar bijvoorbeeld is selfmade. Dat is een echt praktijkmens, die het klappen van de zweep leert door meters te maken. Verscholen in deze culturele opvatting zit ook het nog het idee dat theorie boring is. Niemand gaat zijn werk beter doen dan door te luisteren naar ‘studeerkamergeleerden’, een term met een voor velen negatieve associatie. Het nettoresultaat is ‘de leraar leert niet’.

Als ik dit even doortrek, met een grote sprong, ‘veel professionals leren niet genoeg’. En laten zich zelfs voorstaan op het feit dat ze niet echt meer studeren, ‘questioning the formal knowledge’ als vorm van professionele stoerdoenerij.  

Is praktijkkennis niet belangrijk? Telt ervaring niet? Het antwoord is – uiteraard – ontkennend. Benefit from experience! Waarbij onderscheid te maken tussen ervaring die de professional zelf opdoet en de verhalen en inzichten van ervaringsdeskundigen, als twee te onderscheiden vormen van ervaringskennis.

Problemen met praktijkkennis 

Frances Schoonmaker noemt een aantal tekorten en problemen van praktijkkennis.

1 Veel praktijkkennis is volgens niet gericht op optimaal leren voor ‘studenten’, maar op orde houden. Vergelijk het met publieke professionals die praktijkkennis gebruiken om te overleven in het professionele systeem en het tevreden houden van hun superieuren en opdrachtgevers. Wellicht valt er inhoudelijk veel meer te bereiken, door studie en wetenschappelijke reflectie. Anders gezegd, veel praktijkkennis is gericht op ‘overleven’ in plaats van op ‘echt leveren’.

2 Een tweede probleem met praktijkkennis is de manier waarop ze ontstaan. Veel leraren baseren hun visie op het vak op grond van jeugdige ervaringen. Bijvoorbeeld. Ze merkten ooit dat ze blij werden van iets leren. En houden daar de levenslange opvatting aan over dat leren een blije activiteit moet zijn. Nu is dat zeker geen gek verhaal, maar het gaat hier om het subjectieve karakter en de culturele context. Veel professionals zijn zich niet eens bewust hoe persoonlijk gekleurd hun professionele opvattingen zijn, hoe toevallig ze zijn ontstaan. De hardnekkige jeugdervaring kleurt een leven lang hun doen en denken. We zitten als professionals vol met ‘preconceptions’ en ‘implicit theories’.

3 Een derde bezwaar raakt het ophemelen van praktijkkennis. Professionals zijn slim genoeg om in te zien dat het vaak beter kan en moet en dat theorie hen daarvoor genoeg aanreikt. Maar dan beginnen de rationalisaties. Het is te abstract. Het zou wellicht kunnen, maar niet op mijn werkplek. Enzovoort enzovoort.

4 Een vierde probleem met praktijkkennis is het verschil tussen positieve en negatieve ervaringen. Sommigen mensen onthouden alleen het positieve en vergeten het negatieve. Bij anderen geldt juist het omgekeerde, de blik is zwartgallig en alleen wat slecht ging wordt onthouden. De ene leraar onthoudt vooral dat moment wanneer die ‘klein’ werd gehouden, de ander herinnert vooral de momenten van groei. Ervaringskennis is vaak niet zo evenwichtig.

Reconstructie en deconstructie

Schoonmaker haalt de boeiende opvatting van Dewey aan over leren. Educatie is ‘a continuous reconstruction of experience!’ Ervaring is geweldig, ervaringsverhalen zijn heerlijk en zijn als het goed is de basis voor een constante interpretatie en uitwisseling. Soms is daarbij deconstructie van praktijkkennis noodzakelijk en onvermijdelijk, ‘het verhaal zit toch echt anders in elkaar’. Tijd om afscheid te nemen van het (eigen) praktijkverhaal.

Dat maakt voor mij ook zo belangrijk om professionals bij elkaar te brengen in een diverse professionele community. Waar zowel de hooggeleerde als de ervaringsdeskundige tegelijk op een voetstuk aan! Theorie is verrijkend, niets is zo praktisch als een goede theorie! En zonder voldoende personal knowledge komen professionals ook niet ver, of halen ze niet uit wat er allemaal in het vak zit.

N=1. De waarde van ervaringsverhalen

Eindelijk! Het ervaringsverhaal is in opkomst. Ook in de publieke sector. De belevenissen optekenen van gebruikers, bij het ontwikkelen, vormgeven of evalueren van beleidsinitiatieven. Recent zag ik in een lokale beleidsnotitie zelfs de frase ‘dat ervaringsverhalen de basis van beleid vormen’.

Een mooi alternatieve term voor ervaringsverhalen zijn ‘geleefde verhalen’. Prachtige vondst. Om iets te begrijpen is het een grote, grote plus, iets echt doorleven en er mee worstelen.

In het bedrijfsleven is onderzoek naar de ervaring van klanten min of meer geïnstitutionaliseerd. Rondom de customer journey is een hele marketing-industrie ontstaan. De wijze waarop dit gebeurt verveelt of irriteert soms. Wanneer naar de ervaringen van klanten vragen onderdeel vormt van een uit te rollen protocol daalt de gevoelswaarde, zeker voor een gebruiker. ‘Daar heb je ze weer’.

Ervaringsverhalen een plek geven in de hart van beleid is niet onomstreden. Ik merk dat vooral twee argumenten bijna reflexmatig uit de kast worden getrokken om de betekenis te relativeren. Het eerste bezwaar is de N is 1 redenering. ‘Ok, dit is gebeurd. Maar hoe vaak gebeurt het?’ Jaren terug begeleidde ik een sessie met een provinciale bestuurder die er helemaal gek van werd, van ervaringsverhalen. ‘Dan hoor ik steeds weer, het aanvragen van mijn scootmobiel gaat niet goed. Dan vraag ik altijd door. Om hoeveel scootmobielen gaat dat dan? En dan blijft het stil’. Haar oplossing destijds was ‘de belangenbehartiging te professionaliseren’. Ik herinner me dat het meubilair nog net niet door de zaal vloog.

Bovenstaande anekdote geeft ook een tweede bezwaar aan. Ervaringsverhalen zijn altijd subjectieve verhalen. Een ervaring wordt nu eenmaal niet door iedereen op de dezelfde wijze verwerkt. Het is altijd belangrijk om het beeld rond te krijgen, onderzoek te doen naar de ervaring van de hele kring van betrokkenen, voor een enigszins evenwichtig beeld.

Ik zit desondanks bij de fanclub. Ik hou van ervaringsverhalen en geloof ook sterk in de kracht en betekenis. Ervaringsverhalen brengen altijd iets op het spoor, bieden zicht op nieuwe of onderbelichte aspecten. Beleid staat vol met goede intenties, maar ik kom er steeds meer achter hoe belangrijk goal free evaluation is, zoeken en kijken naar onverwachte, zowel positieve als minder mooie, aspecten van interventies.

Inspirerend is ook om te kijken naar hoe psychotherapeuten omgaan met verhalen die ze horen in hun praktijk. Ze gaan samen met de vertellers aan de slag om ze bij te stellen, in te kleuren en de gaten op te vullen. Werken met ervaringsverhalen is, naar analogie daarvan, ook een uitstekende en voor alle betrokkenen participatieve methode.

Daarnaast wijs ik nog op de ervaring voor professionals met ervaringsverhalen. Je denkt soms dat het snapt, je hebt je er scheel over gelezen en veel over vergaderd. Zaken zitten goed in je hoofd. Ervaringsverhalen voegen een gevoelsdimensie toe die bijna niet te overschatten valt. Ga maar eens mee op de klantreis van iemand die 6 loketten af moet om iets geregeld te krijgen. Dat blijft echt hangen!

Ervaringsverhalen structureel en systematisch omarmen is geen gelopen zaak, alle goede bedoelingen ten spijt. Hoe je het ophalen ook organiseert, alles draait in essentie om intrinsieke interesse en professionele integriteit. Wil je die verhalen echt horen, ook als ze niet in het eigen straatje passen? Ik ben niet cynisch geworden, maar mijn vertrouwen op dit punt heeft wel enkele deukjes opgelopen. Verontrustend is vooral dat professionals vanuit bedrijfsmatige sturingsfilosofie bewust op afstand worden gehouden. Daar zitten ook weer tal van op zichzelf ‘goede’ overwegingen achter, maar het netto-effect is onderbenutting van kansen om sociale en economische vraagstukken beter aan te pakken.

Wordt vervolgd

Binair denken (en de waarde en kosten van ‘moral joy’)

Als mensen zijn we ‘getraind’ in binair denken, tussen zwart of wit. Verhalen zijn niets voor niets opgebouwd rond een conflict tussen ´het goede´ en ´kwade´, met helden en schurken als representant. We veroorloven ons wel enige afwijking, door te spelen met de figuur van de enigszins onsympathieke anti-held of de schurk met aardige trekjes. Uiteindelijk zijn dit wel variaties op het eenvoudige conflict thema.

‘The main effect is pain’

Amitai Etzioni is de grondlegger van het ‘communitarisme’ en besteedde een leven lang aan schrijven en denken over community en community building. In 2018 schreef hij ‘Happines Is The Wrong Metric’ waarin hij zich hardop afvraagt wat dat oplevert, ‘inspannen voor de community’.

Zijn startpunt is glashelder en ook wel spannend, ‘the main effect is pain’. Aan voor anderen zorgen zit een prijskaart, hoe mooi dit soms ook wordt voorgesteld. In de klassieke geografische gemeenschap was die zorg voor anderen niet vrijblijvend, het credo was dwang en plicht. Etzioni citeert zelfs socioloog Erving Goffman die de ‘ouderwetse’ community vergelijkt met een ‘total institution’. In het liberale, postmoderne tijdperk bestaat meer vrijheid en is ‘community als principe’ veel meer een keuze.

Voor Etzioni is de oriëntatie op anderen de prijs wel waard. Hij citeert psychologisch onderzoek over hoe tijd doorbrengen met mensen waarvoor ‘affectie bestaat’ aantoonbaar geluk brengt. Net zoals vrijwilligerswerk of politiek actief zijn zelfs net zo veel waarde geeft als verdubbeling van inkomen!

‘Moral joy’

Een jongere en minstens zo invloedrijke community-denker is journalist David Brooks. Hij publiceerde in 2019 het boek The Second Mountain, ‘the quest for a moral life’. Ook hij geeft een weliswaar ‘genuanceerde’ maar toch ‘binaire’ analyse.

De dominante cultuur is gericht op wat hij noemt ‘de eerste berg’. Gericht op persoonlijk succes, en najagen van geluk. Het codewoord daarbij is onafhankelijkheid, maatschappelijk succes en inkomen zorgen daarvoor. Het is volgens hem ook boeiend vertoeven met ‘the first mountain people’, ze zijn energiek, weten wat genieten is en zijn daarmee aantrekkelijk.

De mensen op de tweede berg zijn verbonden aan, wat Brooks noemt, ‘moral joy’, Ze nemen blijmoedig grote maatschappelijke verantwoordelijkheden op zich. Die vooral veel last met zich mee brengt, de kans op kritiek is groter dan de kans op applaus. In hun waarden stelsel staat besef van menselijkheid voorop. Ze kiezen niet zozeer voor geluk, maar ervaren wel blijdschap van hun levenshouding en gedrag.

B.B.B. (Building Back Better)

Het is een mooi credo, een buzz die rondgaat. B.B.B., Building Back Better. ´Nu´ is ook de tijd om ‘straks’ creatief te beslissen. Gericht op verbeteren en vernieuwen. Verbeteren betekent optimaliseren van het bestaande, vernieuwen vooral op zoek gaan naar het succesvolle onbekende.

Grab the chance, gebruik een crisis om een nieuwe koers in te slaan? Tegenstanders reageren geïrriteerd, ´hou op, voor innovatie is extra geld nodig, dat er nu niet meer is´. Het is een variant op het gezegde dat ‘je het dak moet repareren wanneer de zon schijnt’.

Einde discussie. Of toch verder kijken? Of vooral, verder ‘denken’?

Verbeteren en vernieuwen

Verbeteren en vernieuwen zijn bekende begrippen uit de innovatie literatuur. Meestal worden ze verfijnd met maatstaven als kosten, weerstand of impact. Gaat het om beslissingen die duur of relatief goedkoop zijn. Gaat het om verandering die veel of weinig weerstand oproepen. En, is sprake van een grote impact of weinig effect. Grafische knutselaars kunnen hier mooie schema’s van maken.

‘Everything is here’

Creativiteit is voor alles ook een methode. Een wijze van benaderen van zaken. John Adair schreef een boek over ‘creative leadership’, vol met methoden. Een bekende maar daarom niet minder belangrijke constatering is dat veel dat nieuw lijkt, in feite een combinatie is van bestaande zaken. Zo moeilijk is vernieuwen (misschien) niet, ‘everything is here’?

In het verlengde hier van zit de constatering dat innovatie nogal eens voorkomt uit analogie. Iets uit de ene wereld werkt als inspiratiebron voor de andere wereld. Opvallend vaak wordt de natuur daarbij als inspiratiebron gebruikt (denk bijvoorbeeld aan vliegen). Analogie is niet gelijk aan kopiëren. Don’t copy, zegt de auteur.

Het bekende is vreemd

Het voor mij mooiste inzicht was deze, ‘familiar is strange’. Heerlijk! Vaak nemen we de bestaande situatie als uitgangspunt, geven we aan het bestaande een nieuwe draai. John Adair wijst er op hoe onvruchtbaar dat kan zijn. Denk niet zozeer aan alternatieven, maar probeer vrij een nieuw model te bouwen. Niks behoud het goede, vervang het slechte. Het is soms hilarisch te zien hoe een innovatie lijkt op al iets wat al bestaat. Waarom moet een robot op een mens lijken? Tenzij dat natuurlijk functioneel is.

Veel inzichten zijn weliswaar ‘waar’, maar lastig toe te passen. Neem de tijd. Geef toeval een kans (‘serendipity’). Het maakt in ieder duidelijk dat je uit een crisis innoveren vrij ingewikkeld is.

Wel weer zeer relevant is de tip ‘work it out’. Zomaar wat losse ideetjes lanceren is belangrijk, maar niet genoeg. Creativiteit betekent voor alles een nieuw concept vervolmaken, echt iets afmaken.

Meerdere modellen tegelijk

Het belangrijkste inzicht is, durf te leven (en werken) met ambiguïteit.  Tijdelijk meerdere concurrerende systemen naast elkaar laten bestaan, die zich niet eigen niet goed met elkaar verdragen. Anders geformuleerd, uit (enige) chaos komen ook creatieve krachten vrij.

Gemeenschapszin als welbegrepen eigenbelang

C

Community als filosofie of concept heeft wortels heeft in kleinschalige samenlevingsvormen. Zoals de stam, de clan en het dorp. Gemeenschapszin staat niet gelijk aan altruïsme. Voor elkaar zorgen en op elkaar letten is (ook) een zaak van welbegrepen eigenbelang. Samenwerken biedt kans op overleven bij bedreiging (veiligheid). Dorpelingen delen arbeidskracht en ruilen via wederzijdse inkoop (economie). Om te overleven, zeker in tijden van bedreiging, is ‘group intervention’ noodzaak.

Gezegden

Het West Europese model voor community is ‘Gemeinschaft’. De Afrikaanse tegenhanger is Ubuntu. Die ook na de kolonisatie springlevend is gebleven en zelfs een filosofisch expertproduct geworden met een stroom van publicaties, door Afrikaanse auteurs, NGO’s en westerse schrijvers.  De Ubuntu leer heeft daardoor een aantal ‘zinnetjes’ wereldberoemd gemaakt,

‘I am only because you are’

‘Alone you go fast, together you go far’

‘It rains on every roof’

‘It takes a village to raise a child’

Daar steekt de wereldberoemde Engelse dichtregel ‘No man is an island’ uit 1624 (die ook heel mooi is!) best schril tegen af.  De kern van de zaak is steeds een pleidooi voor collectivisme boven een sterk individualisme. De groep gaat voor. Daarmee is de Ubuntu benadering allesbehalve zacht. Wie de groep negeert of veronachtzaamt, komt daar niet ‘ongestraft’ mee weg. De logica van het dorp (veiligheid, economie) maakt dat met dit principe niet valt te spotten.

Ontwikkeling en Ubuntu

Ook in een andere, stedelijke en vooral onze geïndividualiseerde context, is de aloude Ubuntu benadering van actuele waarde. De nadruk ligt daarbij niet op controle, maar op ontwikkeling en groei. Ik heb een korte selectie gemaakt,

1 ‘Look outside’

Waar in westerse educatie en psychologie veel nadruk ligt op individuele reflectie (‘look inside), zit in deze benadering de oproep om het naar buiten kijken niet te verwaarlozen. Benader kwesties vanuit een breed perspectief, kijk naar het grotere plaatje (‘holistisch denken’).

2 ‘Servant leadership’

De Ubuntu benadering hecht veel waarde aan dienend leiderschap. Ingrediënten daarvan zijn benaderbaar zijn en bescheiden, empathisch zijn (‘in de schoenen van een ander willen staan’ als grondhouding). Interessant is vooral ‘transform others through engagement’, het belang van voorbeeldgedrag (‘goed voorbeeld doet goed volgen’). Leiderschap en senioriteit vallen samen, vanwege de (vermeende?) wijsheid die komt met de jaren. Respect voor senioren is een belangrijk ingrediënt van de Ubuntu benadering.

3 Zwijgen en ‘niets doen’ als waarde

De Ubuntuleer legt veel nadruk op voorbeeldgedrag. Met daarbij de notie dat naast goed gedrag ook bewust niets doen belangrijk is. Net zoals naast de juiste woorden kiezen, ook zwijgen en stilte een geschenk (‘gift’) kunnen zijn.

4 Ongevraagd hulp bieden

De dorpse wortels keren terug in de opvang van reizigers en vreemdelingen. ‘Wie op doorreis is, krijgt wanneer zij halt houden, ongevraagd water aangeboden’. Belangrijk is hier vooral het ongevraagd handelen als waarde. Hier zit duidelijk een ruilaspect in, de hoop is dat je, wanneer je zelf reist, op dezelfde manier wordt behandeld.

Vooral de studie van Priscilla Mtungwa Ndlovu, ‘Discovering the Spirit of Ubuntu Leadership’ uit 2016 vond erg interessant, de auteur onderzoekt de parallellen tussen Ubuntu en ‘moederschap’ en ‘dienend leiderschap’. Een wat ‘populaire’ benadering biedt ‘Everyday Ubuntu’, van Mungi Ngomanem een kleindochter van Desmond Tutu uit 2020.

Back to normal? Het script

De grote vraag van nu is, wordt het virus bestreden?

De net zo grote vraag achter de vraag is, gaan we ‘back to normal’? Of is sprake van blijvende verandering?

Elixer

In een goed verhaal ontwikkelt de hoofdpersoon zich altijd. Het conflict verandert de hoofdpersoon. Bij terugkeer naar het gewone leven neemt hij een ‘elixer’ mee, de opgedane lessen. In ieder geval persoonlijk is de wereld voor altijd veranderd.

Innerlijke strijd

Elk verhaal draait om conflict. Dat heeft een uiterlijke vorm, het virus (hoe moeilijk zichtbaar ook). Maar ook een innerlijke gedaante. Meestal wil de held niet veranderen, hij geniet van de (relatieve) rust van het bestaande.

Dat innerlijke conflict laait op via de ‘call to action’. Kom in beweging, al mag je je niet verplaatsen! Overdenk wat belangrijk is, leer bij, ontwikkel een nieuwe visie op werk of zelfs maatschappij!

Back off!

De held denkt dan. Back off! De wereld verandert, not my problem. Hoor je me? Not my problem, ik genoot zo van hoe het was.

Jammer, maar helaas.

Hoe langer en intenser de held tegenstribbelt, hoe intenser en daardoor beter het verhaal wordt. Er is namelijk geen ontkomen. De held moet zijn innerlijke strijd aangaan. Vluchten kan niet meer.

Persconferenties

Nogal eens markeert een helder moment deze omslag, de plot. Een persconferentie bijvoorbeeld!

Waar is mijn stappenplan?

De hoofdpersoon bevindt zich nu in troebel water. Waar is hier het stappenplan? Waar is mijn handleiding.

Vriendendienst

Gelukkig is er de mentor die hem er door heen sleept, zijn slimme adviseur. Dichtbij of ogenschijnlijk ver weg, een schrijver of zelfs een bestuurder. En vrienden natuurlijk, vrienden slepen hem er door heen. Onvermoede vrienden ook!

Wordt vervolgd!