De rolverdeling tussen beslisser en expert

In complexe en gevoelige beleidsverhalen, van klimaat, stikstof tot virus speelt de spannende kwestie, wie neemt de beslissingen. En vooral ook, op basis waarvan?

Ogenschijnlijk is het simpel, democratisch gekozen beslissers nemen de beslissing. Zeker. Beleid is aan de bal. Dat is het formele plaatje. Maar hoe komen beleidsbeslissers aan hun informatie, hoe wegen ze die? Wie ‘vertelt’ wat aan wie en hoe gaat die luisteraar er mee om?

Het is een klassiek bestuurskundig vraagstuk, de verhouding tussen beslisser en expert. In deze dagen natuurlijk ook super actueel. Het slechte nieuws is, de honderd procent goede aanpak bestaat niet. Gelukkig is er wel over nagedacht, op excellente wijze bijvoorbeeld in het boek ‘The Honest Broker, Making sense of Science in Policy and Politics’ van Roger A. Pielke uit 2007.

Het lijkt zo eenvoudig. Democratie gaat boven de expert, hoe gezaghebbend de wijze verteller ook is. Zo werkt het nu eenmaal staatkundig. Maar dan begint de twijfel. Pielke noemt het simpele voorbeeld van een bezoek aan de garage. Wanneer de bestuurder aan de monteurs eenzijdig voorschrijft wat te doen, komen daar zeker ongelukken van, letterlijk.

‘Shut up and listen’

Het omdraaien van de rolverdeling lijkt logisch. In kritische situaties geldt dan het adagium, ‘shut up’ en luister naar de expert(s). Pielke noemt dit het lineaire model. Dit voelt wel comfortabel. Democratie is fijn, maar wanneer ‘de nood aan de man’ is het toch echt de beurt aan de experts.

Opnieuw, zo simpel is het (helaas) weer niet. Want hoe werkt het nu precies, zo’n lineaire relatie tussen experts en de (beleids)beslissers? Pielke noemt twee varianten, meer precies twee rollen van wetenschappers.

‘Afstandelijke’ benadering

De eerste is de rol van DE PURE WETENSCHAPPER. De andere rol is die van de WETENSCHAPPELIJKE ARBITER. Wat in beide rollen opvalt is de terughoudende benadering. De pure wetenschapper levert zijn of haar studie, publiceert of overhandigt die, met daarbij in feite de opmerking ‘ik heb mijn ding gedaan, nu jullie’. De wetenschappelijke arbiter is wat klantvriendelijker richting de beslissers en legt een en ander beter uit en is bereid als vraagbaak te dienen. Maar is ook, als het gaat om prescriptie, zeer terughoudend.

Pielke vergelijkt het met een toerist die net goed aangekomen naar een goed restaurant zoekt. De pure wetenschapper houdt het bij informatie over gezond of ongezond eten. De wetenschappelijke arbiter is bereid om antwoorden te geven of een specifiek restaurant gezond eten opdient of niet. Maar daar houdt het mee op.

Duidelijk.

Of toch weer niet?

Het probleem is toch, wat Pielke noemt, de ‘stealth issue advocacy’, de verscholen of onzichtbare belangenbehartiging. Hoe waardenvrij opereerde die expert of wetenschapper nu echt, in vraagstelling en methode? Waarom begon die wetenschapper eigenlijk over gezond eten en niet over lekker eten? De afstandelijke benadering laat bovendien de deur wagenwijd open voor (politieke) beslissers die de crises gebruiken voor promotie van een eigen agenda. Hen komt het op zo’n moment zeer goed uit te wijzen op de eigen verantwoordelijkheden van wetenschap en beleid. ‘Dit is het moment om grote buitenlandse restaurantketens buiten spel te zetten’.

Stakeholders benadering

Hoe dan?

Pielke komt nu met de ‘stakeholders’ benadering op de proppen. Waarin de afstand tot beleid bewust kleiner is, met daarin opnieuw twee rollen. De eerste rol is de ISSUE ADVOCAAT, de andere die van, ik noem het even in het Engels omdat ’t zo mooi klinkt, ‘THE HONEST BROKER OF POLICY ALTERNATIVES’.

De issue advocaat is de expert of wetenschapper die ervoor gaat. ‘Dit is de beste actie, gelet op wat we nu weten en kennen’. Heerlijk duidelijk. Veel beslissers zijn natuurlijk ‘verliefd’ op zulke experts. ‘We betalen je niet om te twijfelen. Wat moeten we doen?’ Oftewel, ‘vertel me gewoon wat het beste restaurant is!’

De bemiddelaar tussen verschillende alternatieven is de speler die goed mee kan in het beleidscircuit. Hij of zij gaat verder dan de wetenschappelijke arbiter. Voor elke oplossing worden zorgvuldig de mogelijkheden en beperkingen in kaart gebracht, de expert worstelt in die zin mee met de beleidsmakers. ‘Als je DAT belangrijk vindt, kun je het beste kiezen uit die en die restaurants, als je DIT belangrijk vindt is verstandig om die en die plekken te bezoeken’.

Spelregels

Pielke is voorzichtig, elke rol kan. Gelet op de titel van zijn boek voel je natuurlijk de voorkeur voor de ‘broker’ rol. Iets preciezer, hij houdt wel van prescriptie! Vooral twee spelregels helpen in het debat over de juiste rolverdeling tussen experts en beslissers.

De eerste regel gaat over (on)zekerheid. Bij grote zekerheid is de advocatenrol meer gerechtvaardigd. Het helpt dan overigens wel als het vraagstuk wat kleiner is gemaakt.

De broker rol verdient de voorkeur wanneer verschillende, in potentie conflicterende waarden in het geding zijn, denk aan gezondheid en economie. Die waarden controverse is zeer relevant, bij complexe beleidsverhalen zijn ze (bijna) altijd in het geding.

Instituties beschermen

Pielke houdt tenslotte een, ook nu belangrijk, pleidooi voor het zorgvuldig optuigen en beschermen van instituties voor onderzoek en beleid. Juist in tijden van crises gedijt de publieke zaak bij een goed doorwrocht en eerlijk samenspel tussen deze twee groepen ‘verhalenvertellers’.

Community versus ‘het netwerk

Met de opkomst van de online community als relatief fenomeen is ook de ‘beleidscommunity’ als verschijnsel herontdekt (ook door mijzelf!). Bestuurskundigen en politicologen kennen een mooie traditie van schrijven over politieke netwerken.

IJzeren driehoeken

De oudste en eerste verhalen stammen uit een traditie van democratie kritiek, en komen vooral van politicologen. Wordt de publieke besluitvorming niet bedreigd door ‘iron triangles’, gesloten bolwerken van adviseurs, ambtenaren en wetenschappers?

Bestuurskundigen pakten het thema netwerken vooral in de jaren negentig van de vorige eeuw weer op. Waarbij vooral werd gewezen op de fragmentatie van het openbaar bestuur, in combinatie met groeiende complexiteit. Netwerkvorming ontstond vooral als antwoord op een institutioneel tekort. Buiten formele besluitvormingsstructuren om ontstonden losjes georganiseerde samenwerkingsverbanden waarin vooral professionals van buiten en binnen de overheid samenwerkten. De inzet was vooral ‘leren en ontdekken’, waarbij adviseurs, journalisten, ambtenaren, wetenschappers en andere insiders elkaar wisten te vinden. En ja, het gaat en ging natuurlijk ook om lobby en macht.

Buiten en binnen de kaders

In zo’n netwerk was sprake van een ‘ongoing conversation’, netwerken buiten de kaders werden een goede plek worden om plooien glad te strijken. Net als in een eerdere periode werden vraagtekens gezet bij de transparantie van een en ander. Is het niet teveel ‘buiten de schijnwerpers’’?

(Aanbevolen om te lezen, het hoofdstuk Policy Communities van Hugh T. Miller and Tansu Demir in ‘Handbook of Public Policy Analysis’ van Fischer e.a. uit 2007).

Gaandeweg werd het netwerk voor talloze beleidsprofessionals een gewoon ‘huis’ om in te werken, soms nog belangrijker dan de organisatie waar zij formeel aan verbonden waren. Het netwerk werd ook keurig ingepast in de procedure. Met spelregels over de wijze van samenwerking. En de plicht om het netwerk te consulteren voor besluitvorming. Op die manier verdween het community karakter steeds meer uit beeld, vriendschappelijke samenwerking op persoonlijke titel, met vakliefde en gekenmerkt door een informele sfeer.

Digitalisering en communitybuilding

Nadat in het internet tijdperk de online community opkwam, werd de community ook weer in het publieke debat getrokken. Online natuurlijk, vele vakmensen ‘spreken’ elkaar via soms inhoudelijk rijke digitale platforms. Maar ook offline, via professionele beleidsgroepen met een community achtige ‘feel’. De sfeer en werkwijze is uitdrukkelijk minder ambtelijk dan de beleidsnetwerken van de jaren negentig. Andere generaties, andere gewoonten! Er wordt gereisd, er zijn lezingen, er zijn etentjes, er zijn talkshows, er wordt gespeeld, de beleidscommunity van is uiterlijk onherkenbaar van het zakelijke netwerk uit de vorige eeuw.

Gebleven in positieve zin was de vak liefde voor publieke vraagstukken. Elke beleidscommunity bestaat uit liefhebbers van beleidsverhalen, dat zij samen op een hoger plan willen trekken. Het gaat ergens om! Gebleken in wat negatievere zin (voor mij persoonlijk althans) is de moeite die nu in het reguliere beleidscircuit leeft over deze vorm van samenwerken, buiten de formele kaders, in stijl en thematiek.

De ‘overbodige’ community

Het is bijna grappig dat de beleidscommunity van nu vaak als concurrent wordt beschouwd van het formele netwerk. ‘Zo’n community is toch overbodig, want we spreken elkaar toch in ons verambtelijkte beleidsoverleg?’ Een netwerk is nu het vertrouwde en zakelijke kader, en de community de speelplaats annex proeftuin voor nieuwe verhalen. Helemaal niks mee, die spanning is gezond. Het wachten is natuurlijk wel op het verambtelijken en ‘institutionaliseren’ van de veel te gezellige beleidscommunities.

Laten we dat nog maar even uitstellen.

Van GROOT naar een GROOTS verhaal

Het wemelt van de mooie beleidsverhalen, concepten met ‘de belofte van een mooiere wereld’. Rond techniek, sociale innovatie, noem maar op. Die zijn niet zonder meer wervend. Integendeel, ze ogen vaak nogal dor. Ze voelen als een corporate story dat deze reactie oproept: ‘alles leuk en aardig, maar wat betekenen ze nu echt?’

Belevingsverhalen

De oplossing? Leven in de brouwerij! Een groot verhaal (‘grand narrative’) wordt pas echt groots wanneer het doorleefd is. Wanneer het als het ware door de wasstraat van de belevingsverhalen is gehaald.

Achter feiten en gebeurtenissen zitten persoonlijke ervaringen. Mensen die met een eigen perspectief of referentiekader naar de wereld kijken, dus gekleurd door (vak)kennis en emotie. Het gaat bij ervaringsverhalen niet zozeer om wel of niet saaie verhalen, dat is een misverstand.

Tegenverhalen

Bestuurskundigen Tesselaar en Rodermond brengen in het leerzame ‘Narratief evalueren, de gids’ uit 2017 een mooi onderscheid tussen drie soorten verhalen. In mijn ogen alle drie zeer bruikbaar om een in potentie boeiend CONCEPT tot leven te brengen.

Vermeng het, maak een concept ‘spicy’ met organisatieverhalen, geleefde verhalen en vooral ook tegenverhalen. Het onderscheid is niet scherp, het gaat om ervaringsverhalen met een verschillende insteek. Subtiel is daarbij het onderscheid tussen eigen ervaringen en verhalen over ervaringen van derden. Ervaringsverhalen zijn soms uit de tweede of derde hand (dat mag ook!).

ORGANISATIE VERHALEN zijn de verhalen van en door professionals. Ze zijn weliswaar persoonlijk, maar draaien vooral om procedures en officiële spelregels.

GELEEFDE VERHALEN zijn praktijkverhalen over hoe het concept in de praktijk uitpakt. Wat zijn de consequenties en effecten die zij waarnemen? Aardig en verwarrend tegelijk is dat ogenschijnlijk dezelfde gebeurtenissen in dit ervaringsverhalen nogal eens op zeer verschillende wijze worden verslagen, alleen al door het uitlichten van verschillende details.

TEGENVERHALEN (ik vind dit een echt mooie taalvondst!) zijn verhalen waarin hardop wordt getwijfeld aan het ogenschijnlijk zo mooie concept, kritische verhalen die vaak gekruid zijn met wat zwarte humor. Die horen er ook bij!

 Verhalen community

Een groot verhaal wordt vooral sterk wanneer zij door de wasstraat van deze typen ervaringsverhalen worden gehaald. Wanneer een podium wordt gebouwd voor een verhalen community die aan een concept kleur en emotie toevoegen. Op dringend advies van Tesselaar c.s, het liefst ongefilterd, dus in een zo ruw mogelijke weergave.

Voorgrond

Ervaringsverhalen worden ook getypeerd als ‘ACHTERGROND conversatie’. Omdat zij zogenaamd harde en meetbare feiten persoonlijk inkleuren. Maar ook omdat ze cultureel op een achterstand staan, vanuit het adagium ‘liever tellen dan vertellen’. Wie fans wil maken maken met een boeiend beleidsconcept, doet er verstandig dit type verhalen, met de vertellers erbij, dit keer op de VOORGROND te plaatsen.

De toekomst is aan de commons?

Tijd voor nieuwe community verhalen

Hoe boeiend en waardevol community en community building als concept ook is, theoretisch is het allemaal wat mager. We kennen uit de jaren tachtig van de vorige eeuw de ABCD benadering, asset based community development (https://resources.depaul.edu/abcd-institute/resources/Documents/WhatisAssetBasedCommunityDevelopment.pdf) en uit hetzelfde tijdperk de sociaal kapitaal visie. Community building ligt in die optiek dicht bij wijkgericht werken en opbouwwerk. Dat doet wat sleets aan, vooral in het disruptieve internet tijdperk.

Impulsen komen op dit vooral uit de hoek van sociaal ondernemerschap en de software industrie. Gouden voorbeeld van dit laatste is nog steeds Wikipedia. Er is geen hiërarchie, deelnemers dragen vrijwillig bij en verrijken de waarde, op basis van relatief eenvoudige software. Niemand gaat aan de haal met de winst, behalve dan de hele community.

Waarde creatie

Denken over waarde creatie is ‘hot’. Hoe kun je sociale vooruitgang boeken, zonder dat de natuur wordt uitgeput en de financiële opbrengst eenzijdig naar een kleine groep gaat. Velen zijn eigenlijk wel een beetje klaar met Google en Uber (hoe fijn hun producten ook zijn voor de gemiddelde consument). Het is nieuw kapitalisme omdat de opbrengst niet ontstaat door eigen bezit van ‘resources’. De opbrengst gaat naar een kleine groep eigenaren die niets zelf bezitten maar handig meeliften op het resultaat van ‘menselijke interactie’.

Een groot probleem is ook de schaal van productie. Software kun je makkelijk wereld wijd delen, zonder veel energie. Hoe anders is dat met gewone producten. Denk aan de transportsector, het meeste verlies aan stoffen gaat simpelweg door te veel en inefficiënt vervoer.

Dat alles heeft een beweging te weeg gebracht onder de noemer common. In feite gaat het om een opleving van het oudere coöperatie denken. Hoe kun je gewoon een boterham verdienen met werk, zonder een kleine groep oneindig rijk te maken en de natuur uit te putten.

Platforms

Overal duikt het concept op van lokale coöperatie vormen of platforms. Vooral op het gebied van energie. Die mogen best bedrijfsmatig gerund worden, het gaat weliswaar niet om profit maar het is ook geen non profit (!). De term sociaal ondernemerschap komt het nog het dichtst in de buurt. Het is een tussenvorm waarin ondernemende mensen waarde toevoegen aan kennis of materiele producten waarbij de (lokale) community profiteert van de opbrengs. En tegelijk een ‘associatie’ bestaat die spelregels voor de productie formuleert. In België bestaat een peer tot peer onderzoeksgroep die wereldwijd common experimenten op de voet volgt. Bekijk bijvoorbeeld deze video eens met de Belg Michel Bauwens, https://www.youtube.com/watch?time_continue=1&v=YWFQPuHBzw8&feature=emb_logo

Ook mijn stad Den Haag kent een commons lab.  https://www.commonslabdenhaag.nl/agenda/met-commons-meer-stad/.

De common lijkt op het concept achter Wikipedia omdat de menselijke interactie, in theorie, zorgt voor voortdurende verrijking. Aardig is ook de vergelijking van een common met ‘de bloemetjes en de bijtjes’. Er is een bloem (resources), er zijn bijen (ondernemers), er zijn nutriënten (contributors) en is er de pot (een association met spelregels).

Geen markt en geen staat

De common bevindt zich ergens tussen markt en staat en grijpt als het gaat om de rol van de overheid ook terug op aloude Middeleeuwse samenwerking tussen lokale overheden. Die opgeroepen worden om de ontwikkeling van dit type community concepten actief mee te financieren en promoten. In theorie komt de (lokale) overheid uiteindelijk in dienst van deze commons te staan, maar dit is nog wat onuitgewerkt. Een common opstarten en volhouden is uiteraard niet eenvoudig, maar vanuit community perspectief wel veelbelovend.

Eindelijk weer eens een mooi community verhaal erbij!

De afbeelding komt uit Peer to Peer, The Commons Manifesto, van Michel Bauwens. e.a., 2019

Strijd om het winnende verhaal

Strijd om beleid is vaak een zichtbare strijd tussen personen of organisaties. Die letterlijk tegenover elkaar staan, in zalen of op straat. Beleid is mensenwerk, het beeld klopt. Beleid is naast de strijd om de macht tussen spelers ook een strijd om ideeën.

Denk aan het ‘discours’ over duurzaam vervoer, de al of niet zelfredzame zorg of de landbouw van de toekomst. Dat gaat inhoudelijk om rivaliserende concepten die om de zoveel tijd plaats maken voor elkaar. Bestuurskundigen spreken over verbale vernieuwing (Mark van Twist, uit 1994 alweer, maar zie ook zijn ‘Woorden wisselen’ uit 2018). Dan gaat het niet om taalkundige trucjes (al spelen die wel een rol), maar in essentie om het wisselen van dominante verhalen. Bij beleid draait het ook om de strijd tussen winnende verhalen.

In de bestuurskunde bestaat al zo’n twintig jaar relatief veel aandacht voor deze verhalende kant van beleid. Hoe werkt zo’n wissel van verhalen precies? Duidelijk is dat kennis daarin een belangrijke rol speelt, wetenschappelijke en professionele kennis. Maar ook en gelukkig ook steeds vaker de ervaringsverhalen, verhalen uit de community van gebruikers en betrokkenen op afstand.

Onzichtbare concepten

In de praktijk valt de aandacht voor het conceptuele karakter van beleid mij weleens tegen. In beleidsnota’s of presentaties is het soms zoeken naar een duidelijk en zichtbaar uitgesproken idee. Of het tegenovergestelde gebeurt, aan een beleidsaanpak worden zoveel concepten tegelijk opgehangen dat wie het ‘verhaal’ wil volgen of begrijpen verdwijnt in het spreekwoordelijke bos. Duik maar eens in een plan voor een gemiddeld zorgvraagstuk, dat gaat over eigen regie, preventie, positieve gezondheid, van alles en nog wat wordt er vaak bijgesleept.

Rond beleid vindt een wedstrijd plaats tussen wetenschappelijke, professionele en ervaringsverhalen. Wie wint in dit licht chaotische spel? Wie de storystelling beheerst maakt in ieder geval een goede kans. Degene die snapt en begrijpt hoe ‘framing’ werkt (de blik sturen vanuit bepaalde waarden en perspectieven), goed is in timing en aandacht heeft voor wie de afzender is van het verhaal, komt heel ver. Net zoals het beheersen van mediatechniek, van Twitter, video of bijvoorbeeld de podcast.

Betekenis van ervaringsverhalen

Speciale aandacht vraagt de plaats van ervaringsverhalen op dit beleidspodium.  Enige tijd terug (2018) publiceerde kennisinstituut Movisie daarover een leerzame publicatie (‘Ervaringskennis in beleid, 2018’). Met tal van praktische tips om die ervaringsverhalen op te halen en te verspreiden. Een enkel kritisch ervaringsverhaal nog worden weggezet als een incident. Als meerdere ervaringsverhalen, heet verhaal van de beleving, worden gebundeld tot een gedeeld verhaal wordt het effect minder krachtig. Bijzonder leerzaam is ook de opmerking de ambtenaren met hun professionele en ‘eigen ervaringsverhalen’ niet zomaar weg te zetten. De wedstrijd om het winnende verhaal is gebaat bij eerlijke spelregels.

Blijven (uit)wisselen

Voor het uitwisselen van al die verhalen bestaan geen eenduidige en herkenbare arena. Beleidsverhalen duiken overal op, online en offline, en in het formele en informele circuit. Dat is niet erg, maar juist een grote kans voor goede spelers. Als het maar wel tot uitwisseling en luisteren komt. Wie bijvoorbeeld Twitter actief volgt ziet dat rond sommige thema’s geen sprake meer van strijd om verhalen om maar een culturele strijd tussen wereldbeelden, culturele conflicten.

 

 

‘Conversational starters’

De droom van iedereen die een nieuwe aanpak of een ongewoon thema introduceert, ook in publieke sector, is om daarover een goed gesprek op gang te krijgen. Niet alleen in de politiek of tussen betrokken professionals, maar liefst in de kring daarbuiten, van ervaringsdeskundigen en gebruikers tot aan verstandige mensen die beroepsmatig met heel andere thema’s bezig ziojn.

‘Talkable’

Een community manager is daarom bij uitstek bedreven in het starten van ‘the conversation’, online en offline. Bezig om een onderwerp ‘talkable’ te maken en houden. Daarbij gaat het niet zozeer om tijdelijke aandacht, maar om een wat duurzamer gesprek, ‘beyond the buzz’ noemt Lois Kelly dat (2007).

De vergelijking van buzz met een snack nemen is handig. Het helpt even, maar biedt geen voedzame maaltijd. Een geslaagde conversatie heeft ‘meaning’, is zinvol en waardevol.

‘Shut up and listen’

De buzz op gang krijgen met technisch specialisten is relatief makkelijk, de inhoud regeert, er is veel voorkennis en men heeft al bij voorbaat zin om over een thema te praten en na te denken. Veel publieke thema’s komen helaas niet voorbij de eigen parochie, wat bijzonder jammer is omdat dat daarmee veel community kennis onbenut blijft.

Hoe start je een echt geslaagde conversation? Lois Kelly formuleert het helder,’’shut up and listen’. Begin altijd met een ’listening tour’, waarbij angstvallig eigen projecties, vooroordelen in de wachtstand wordt gezet. Zonder zo’n voorverkenning is de kans groot de plank flink mis te slaan.

Maar hoe dan verder?

Volwassen kinderen

Geweldig (raak) is het principe van de volwassen kinderen. Lois Kelly benadrukt onze beperkte groei, hoe volwassen we ook zijn. Het gaat niet zozeer om het gebruik van een kinderlijke stijl, dat is een misverstand. Stop met te simpele zinnetjes, dat staat gelijk aan je publiek onderschatten. Het gaat om iets anders. We reageren als mensen naïef, veel te blij of somber en raken snel opgewonden en verveeld. Waarom is spel zo geschikt, ook in het serieuze debat? Omdat we als kinderen willen winnen!

Oud en vertrouwd

Zeker bij nieuwe benadering, iets fris helpt zeker om aandacht te krijgen, is belangrijk om goed te verbinden met eerdere ervaringen en te verwijzen naar oude en vertrouwde publieke waarden. Op maat gesneden van het publiek, niet zozeer de eigen ervaringen.

Memorabel

De passie spat er bij voorkeur van af. Wie iets opstart moet er zelf echt in geloven, mensen ‘ruiken het als het niet zo is!’ Een lekker verhaal helpt daarbij uiteraard sterk, als de factor relevantie maar niet uit het oog wordt verloren. Een thema gaat ‘lopen’, wanneer de conversatie letterlijk en figuurlijk memorabel is.

Sprankelende (beleids)verhalen? Gebruik de podcast!

Veel beleid, hoe boeiend ook, staat soms ver ‘van mensen’ af. En heeft als grote bezwaar dat het nogal abstract is. Of in ieder geval veel te abstract wordt aangeboden en gebracht, ook qua vorm. Een onderschatte manier om beleidsverhalen voor het voetlicht te krijgen is De Podcast! De beleidspodcast dus.

Mainstream

Na jarenlang wat onder de oppervlakte te hebben gelegen is nu toch sprake van een grote doorbraak. Grote podcast netwerken, denk aan Spotify, podcast fenomenen zoals SERIAL met een miljoenenpubliek en onvermijdelijk, nu ook interdisciplinaire studiegroepen over dit nieuwe mediafenomeen. Neem het leerzame boek ‘Podcasting’ uit 2018 (zie foto).

Waarom podcasts ook nuttig zijn voor de publieke sector en beleid? Eerst iets over de podcast als fijn en inmiddels licht verslavend medium. Het leuke is allereerst, het is nieuw. De regeltjespolitie heeft nog niet toegeslagen, je kunt er lekker mee rotzooien, zowel als liefhebbende amateur als gelouterde professional. Wat goed is en wat fout is nog niet uitgekristalliseerd (dat zal helaas wel gebeuren, mensen zijn nu eenmaal verliefd op ‘hoe het hoort’). De podcast zit natuurlijk dicht tegen de radio aan, maar podcast biedt de kans om de mooiste programma formats gewoon over te doen en er uit te pikken. Niet voor niets wordt in Nederland bijvoorbeeld de Dik voor Mekaar show weer lekker opnieuw uitgebracht.

Exploring the self

Iets serieuzer, het medium vecht met visuele media om een nieuwe eerste plek. In het digitale visuele lawaai kun je letterlijk de ogen sluiten en heel geïsoleerd toch verbinding maken met de wereld. ‘Exploring the self in the chaos of the digital and material world’. Aldus de auteurs van Podcasting, een mooie observatie.

En nu beleid en beleidsverhalen. De podcast is bij uitstek geschikt om complexe materie zeer helder uit te leggen. Vooral door de vertelstem. Zo kun je fans maken met onderwerpen die normaal gesproken ver (bij je) weg staan. In het boek ‘Podcasting’ wordt ook een grote toekomst wordt ook een grote toekomst voorspeld voor de podcast in het (hoger) onderwijs. Niet alleen voor de verspreiding van kennis, maar ook als onderzoekmethode. De podcast als onderzoeksmiddel is een nog zwaar onderschat en ongebruikt instrument, ook door consultants (ik ben daar nu zelf mee aan het ‘oefenen’, beter laat dan nooit).

Space for reflections

Podcast voor beleid is ook zo nuttig omdat het bij uitstek geschikt is voor reflectie, zonder dat het saai wordt. Een podcast is het middel om goed te reflecteren en filosoferen, waarom doen we dit ook alweer, wat hebben we onderweg geleerd van onze fouten? De podcast is (nog?) niet kapotgemaakt door spindoctors. In het boek Podcasting: ‘It is a productive space for reflections’.

De grote troef van de podcast, boven andere media, is de mix van het algemene met het persoonlijke. Grote en algemene waarheden kun je makkelijk mixen met persoonlijke ervaringen, grapjes, of uitgesproken twijfels. De podcast zorgt daarmee ook voor intimiteit, en is daarmee ook een verbindend medium.

Besturen met podcasts

Last but not least zijn is er de factor eenvoud. De laatste jaren heb ik veel gewerkt met beleidsfilms. Honderden zelf. Gaaf, ik schreef er zelfs een boekje (!) over, Besturen met Beelden. Maar het blijft toch ook  een hele productie, zeker als het gaat om de kosten.

Dat is uiteindelijk wel de moraal, het gaat om de mix, ook bij beleid en beleidsverhalen. Lekker schrijven en bloggen, filmen en … podcasts opnemen.